Beetje autistisch, of gewoon niet zo contactgericht?

Door Mara Lammertzen

‘Ik ben daar een beetje autistisch in’. Ik kan zo een handvol mensen opnoemen die dat regelmatig roepen. Sommigen als grapje, anderen bloedserieus. Ik ben dan ook benieuwd hoe jij jezelf ‘scoort’ op de bekendste kenmerken van autisme. En kijk vooral ook eens naar hoe je vroeger als kind was. Komt ‘ie.

  • Moeite met contact maken
  • Realiseert zich vaak niet wat de drijfveren van de ander zijn, weinig inlevingsvermogen
  • Er valt weinig emotie van het gezicht af te lezen
  • Minder sterk in het aangaan en onderhouden van vriendschappen en relaties
  • Houdt niet van geklets over ditjes-en-datjes, beperkt communicatie tot essentie / doel
  • Hoort niet altijd alles wat er gezegd wordt en vergeet dingen die de interesse niet hebben
  • Sterke behoefte aan routine en regelmaat
  • Sterk vasthoudend aan eigen planning, raakt van slag als deze door anderen verstoord wordt
  • Brengt graag veel tijd alleen door
  • Kan helemaal opgaan in een bepaalde activiteit of hobby, op het obsessieve af

Herken je jezelf in meer dan 5 punten? Of iemand uit je omgeving? En ben je dan ook meteen een autist…? Dat dacht ik dus niet. Want deze schijnbare ‘tekortkomingen’ zijn heel herkenbaar voor mensen met een fysiek-mentale en mentaal-fysieke persoonlijkheidsdynamiek. Zeker wanneer het emotionele (relationele) principe relatief onderontwikkeld is, bijvoorbeeld omdat iemand nog jong is, is er nog weinig balans in de dynamiek. Dus wanneer je van nature minder sterk bent in relationele vaardigheden, zijn deze kenmerken niet meteen iets om je zorgen over te maken. Het kan namelijk ook gewoon zijn dat bij jou het emotionele principe op de derde plek staat en dus je ontwikkelrichting is. Sterker nog, het zijn – okee, in het contact met anderen soms wat onhandige – verschijningsvormen van hartstikke waardevolle kwaliteiten. Zoals doelgerichtheid, structuur, efficiëntie, focus. Vooropgesteld: ik betwist het bestaan van autisme als ontwikkelingsstoornis niet. Wat ik wel denk, en zie in de praktijk, is dat er behoorlijk aantal kinderen onterecht met een stempel ‘stoornis in het autistisch spectrum’ (ASS) rondlopen. Of mensen die zich ‘enigszins autistisch’ voelen omdat ze dat wel eens van anderen horen.

Philips en de liefde voor techniek
‘‘Autisme komt bij kinderen in de regio Eindhoven opvallend vaak voor. Dit blijkt uit onderzoek van de universiteit van Cambridge (Baron-Cohen, 2011). Kinderen in Eindhoven en omgeving lijden volgens de Britse onderzoekers drie tot vier keer zo vaak aan autisme als leeftijdsgenoten in de omgeving van Haarlem en Utrecht*.’’

Baron-Cohen verklaart dit zo. ‘Mensen die goed zijn in een technisch beroep, scoren meestal hoger op een karaktertrek die hij systeemdenken noemt. Systeemdenkers houden van logisch redeneren en zijn meer rationeel dan emotioneel en empathisch. Allemaal trekjes die iemand met autisme ook heeft.’

Dankzij Philips trekken er al sinds 1891 mensen met een technische achtergrond naar Eindhoven. In de stad heeft dan ook dertig procent van de banen iets te maken met techniek, en de regio werd door een internationale denktank uitgeroepen tot de slimste regio ter wereld. Niet zo vreemd dat er een opvallend hoge concentratie ‘systeemdenkers’ te vinden is.

Voor de Human Dynamics-kenners onder ons: systeemdenken – het ‘denken in gehelen’ – is een typische kwaliteit van het fysieke principe. Logisch kunnen redeneren is een kwaliteit van het mentale principe. Zouden sommige autistische kenmerken niet een kwestie van ‘gewoon weinig E’ kunnen zijn? Dat houdt mij dus bezig.

Het betreft hier dynamiekgerelateerd gedrag dat logisch te verklaren is vanuit wat we weten over de ontwikkeling van het 3e principe. Het gaat hier om vaardigheden waar je extra moeite voor moet (blijven) doen gedurende je leven. Bij sommige kinderen (en volwassenen) kan dit leiden tot gedrag dat als ‘afwijkend’ of weinig sociaal wordt ervaren – vooral door mensen met een andere persoonlijkheidsdynamiek. Mara Lammertzen-Kuiper, 2015

 

1 + 1 = 3(e principe)?

Okee. Stel nou dat je ouders – beide met de fysiek-mentale dynamiek, meestal geen typische ‘kroegtijgers’ – elkaar ontmoet hebben op de Technische Universiteit. Of in het lab bij Philips. Dan is het aannemelijk dat je als kind niet alleen dezelfde dynamiek hebt**, maar van huis uit ook minder hebt meegekregen van het emotionele principe. Aspecten van jouw 3e, van nature minder ontwikkelde principe, waarvoor je extra moeite moet blijven doen in je leven. Net als je beide ouders. Dingen als contact maken en onderhouden, over je gevoelens praten, flexibel zijn bij veranderingen, verbinden van mensen zijn dan geen dagelijkse kost voor je. En wanneer er hierop in je gezin ook weinig beroep wordt gedaan, puur omdat de natuurlijke focus en behoefte niet bij aspecten van het emotionele principe ligt, duurt het nog langer voordat je je zult ontwikkelen op dit gebied. Helemaal niks mis mee, iedere persoonlijkheidsdynamiek heeft een groeirichting. Maar een kind met ‘autistische kenmerken’ komt dus niet uit de lucht vallen.

Tegenwoordig zijn de verwachtingen hoog als het gaat om sociale en samenwerkingsvaardigheden. Als mentaal-fysiek of fysiek-mentaal kind, en zeker als je nog weinig vlieguren hebt gemaakt in de ontwikkeling van je 3e principe (emotioneel), zal het niet meevallen om te kunnen voldoen aan deze verwachtingen.

Wil jij hierover meepraten? Onderaan dit bericht kun je je reactie kwijt. Dank!

* De onderzoekers bestudeerden in totaal 62.000 kinderen. Ze vergeleken het aantal kinderen met autisme in Eindhoven met het aantal kinderen met autisme in Utrecht en Haarlem. Ze ontdekten dat in Eindhoven vier keer meer kinderen met autisme voorkomen. De onderzoekers keken ook naar het aantal kinderen met ADHD en dyspraxie. Dit bleek zowel in Utrecht, Haarlem als Eindhoven even vaak voor te komen.

** Human Dynamics-grondleggers Sandra Seagal en David Horne hebben sterke bewijzen gevonden dat een persoonlijkheidsdynamiek aangeboren is. Sterker nog: het is bij sommige baby’s al te zien. In mate van oogcontact, behoefte aan fysiek contact, etc. Er is ook ‘vintage’ videomateriaal waarop je prachtig het verschil in focus kunt zien tussen een fysiek-mentale en een emotioneel-fysieke baby, om een voorbeeld te noemen. Nog interessanter wordt het als je weet dat een persoonlijkheidsdynamiek genetisch bepaald is. Soms slaat een persoonlijkheidsdynamiek een generatie over, maar over het algemeen zul je de dynamiek van een van je ouders hebben. 

Het derde principe: ’n kwestie van oefenen

Door Mara Lammertzen

Ik heb –gezien vanuit de Human Dynamics-theorie– de emotionele centrering. Dat houdt o.a. in dat de manier waarop ik informatie verwerk ‘associatief relationeel’ is. Ik herken me in de emotioneel-fysieke persoonlijkheidsdynamiek, om precies te zijn. Als het gaat om mijn denk- en handelingsprocessen kun je het van de hak op de tak noemen, of ongestructureerd. Dat klopt. Ik noem het multifocused en verbindend. Ik kan meerdere gesprekken volgen of dingen doen en ook nog geïnteresseerd met mijn eigen gesprekspartner de diepte in gaan. En dan is het ook nog eens zo dat er altijd eerst een split second is waarin er een linkje wordt gelegd met ‘hoe staat dit (deze opmerking, dit object, deze kennis, etc.) in relatie tot mijzelf en wie ik ben, wat ik wil, wat ik weet, belangrijk vind en wat hoort daar nog meer bij?’ Zoals deze blogpost. Ik kan dit verhaal het beste vertellen door vanuit mezelf te redeneren. Dat gaat automatisch, hoef ik niks voor te doen. Je begrijpt: dat kan wel eens voor wat dwaling zorgen. Want ik heb van nature geen logische denklijn, ik ga verder met wat er zich voordoet. En soms komt er iets af. Vaak ook niet. Zucht. Ik ben flexibel, zullen we maar zeggen.

A way of life
Afleiding (ofwel multifocused zijn) is voor mij dus a way of life. Vroeger op school keek ik tijdens de uitleg al graag naar wat er op straat gebeurde. Maar de leerkracht moest wel toegeven dat ik ondanks dat schijnbare gebrek aan concentratie toch best goede cijfers haalde. Ik hoorde dus wel wat hij zei, en sloeg het nog op ook. Ik vond het heel normaal.
Meestal gaat dat goed. Werkt prima. Maar soms, als ik druk ben en mijn innerlijke to do-lijstje uit z’n voegen barst, voel ik me zo’n draaiende bordjesdame in het Chinese circus die op het punt staat de hele bende te laten vallen. En natuurlijk, terwijl ik dit schrijf ben ik al op zoek naar een mooi plaatje voor bij dit blog. Maar die moet natuurlijk wel een bepaalde minimum afmeting hebben, én esthetisch geweldig uiteraard, dus dat duurde weer even 10 minuten. Ben ik weer. Ik heb er wel weer een mooi mapje ‘blogfoto’s’ bij. Handig joh. Zucht. Waar is mijn focus? Heb ik überhaupt wel structuur? Soms voel ik me echt een kip zonder kop.

Even afgeleid
Waar had ik het over? O ja, zoals vanmorgen dus. Dat ik onder de douche sta en denk: even snel de badkamer poetsen straks. Oeps, die doucheslang is nu al dagen (weken?) aan vervanging toe. Even op internet speuren. Er moet nog een heleboel. Wat was het ook alweer? Peins, peins… dit, dat. Ik MOET nu echt fysiek een lijstje gaan maken, want anders blijf ik rondjes draaien in mijn hoofd. Dat ik dan met nog nat haar ga zitten om een fantastisch handige checklistwebsite te openen die uiteraard ook op mijn telefoon in app-vorm te vinden is (Wunderlist heet ‘t, tip van mijn gestructureerde lief). Waar onze gedeelde boodschappenlijst ook op staat, wat super werkt, maar dat terzijde. Een uur (of twee?) later realiseer ik me dat de badkamer, die ik onder handen wilde gaan nemen, nog steeds een puinhoop is, en ik ondertussen fijn een artikel over ‘handige opvoedhacks’ aan het lezen ben op internet. Dat zet ik meteen maar even op mijn Pinterest-bord ‘Opvoeden’ anders ben ik het straks weer kwijt. Hoe kwam ik hier? Ah, via Facebook, waar ik zestien keer klikken daarvoor begonnen was omdat er een berichtje binnenvloog. Wat staan er eigenlijk veel mooie artikelen inmiddels op mijn ‘Opvoeden’-verzameling. Even lezen, deze. Ik kom daar ook nooit aan toe. Oh, dat internet… ga ik ook nog ‘s een keer een stukje over schrijven. En dat lijstje, dat moet ook nog. En die badkamer. Ik ga NU de dweil pakken in het washok. Jongens, wat een volle wasmand. Even snel de witte was erin. Wasmiddel bijna op. Oh, en de kattenbak mag ook wel weer eens. Prio 1. En dan werk ik dus ook nog. En heb ik slaaptekort. Stop! Genoeg voorbeelden. Zucht.

In het snotje
Hoe werkt dat eigenlijk? Want ik kan ook zeer georganiseerd zijn, echt waar. Als ik een training geef ben ik ook helemaal op de rit. Want als ik me even doelgericht (daar ga je al) concentreer dan heb ik alles pico bello in het snotje. Dan navigeer ik met ultieme focus door het huis met een mentaal plaatje van wapperend haar –> gevulde boodschappenkar –> een lekker uitgeraasd kind –> lekker koken + glaasje wijn. Even tempo. Jas, tas, telefoon (want daarop staat mijn zeer efficiënte afvink-boodschappenlijst). Kind mee (schoenen, sokken, plas, jas) met een zwier in het fietsstoeltje, hup naar de supermarkt via de schoenmaker en het postkantoor. En op de terugweg met volle fietstassen even langs de speeltuin of door het bos. Want er moet ook buiten gespeeld worden. Ik heb dat nodig 😉 Ha!

De ‘3e principe’-knop aanzetten
Hoe het wel lukt? Door bewust mijn ‘3e principe’-knop aan te zetten. In mijn geval (de emotioneel-fysieke dynamiek) de mentale knop. Even langer dan 20 seconden dezelfde denklijn volgen zodat ik ook een ‘einde’ kan visualiseren. Wat is belangrijk? Afstand nemen. Overzicht maken. Kiezen. Categoriseren. Ordening aanbrengen en vasthouden. Relativeren. Wat is mijn pakkie-an, wat hoort ergens anders? Allemaal aspecten van het mentale principe. Dat gaat na jaren oefenen gelukkig een stuk makkelijker, maar omdat het niet mijn natuurlijke aanvliegroute is zal het me altijd moeite blijven kosten. Ik kan echt met ontzag kijken naar mensen die in no time de hoofdlijnen te pakken hebben. En vasthouden. Chapeau.

Van ontwikkelpunt naar balans vinden
En dat oefenen geldt eigenlijk voor iedereen. Welke dynamiek je ook hebt. Hoe vermoeider/gestresster je bent, hoe lastiger het is om de ‘aan’-knop van je derde principe te vinden. Maar als je weet dat wat je te leren hebt een logisch gevolg is van je persoonlijkheidsdynamiek, dan geeft dat ook rust en begrip voor jezelf. En inzicht in je ontwikkelrichting. Want datgene waar je met regelmaat (nog) moeite mee hebt is vaak onderdeel van je derde principe. Zo zal een ander jóuw specifieke kwaliteiten -al dan niet in stilte- bewonderen. En juist onze kwaliteiten doen we af als ‘heel gewoon toch?’ Of we ervaren er vooral de valkuilen van. Ik geef het grif toe. Zucht. En over die vaardigheden die je maar niet onder de knie lijkt te krijgen: geen paniek! Dat wat die ander toch zo vreselijk goed en makkelijk afgaat, en wat hij of zij ook nog ’s heel gewoon vindt, zit misschien wel in zijn of haar aangeboren kwaliteitenpakket. Het kán ook aangeleerd zijn, maar: dikke kans. Wat een opluchting. Je kunt ophouden met jezelf je ‘ontwikkelpunten’ te verwijten en in termen van ‘balans vinden’ gaan denken. En blijf er vooral (rustig maar bewust) aan werken, want je natuurlijke kwaliteiten komen nog beter uit de verf als je ook toegang hebt tot je derde principe.

Dia2

Het etiket vertelt je (niet) wat erin zit – deel 1

Door Mara Lammertzen

Ontwikkelingsstoornissen in het autistisch spectrum, disruptieve gedrags- of stemmingsstoornis, moeilijk lerend, dyslectisch…. Het schijnbare gemak waarmee massa’s kinderen maar ook volwassenen soms voorzien worden van een DSM-etiket wanneer zij anders functioneren dan ‘de norm’… ik vind er wat van. Vooropgesteld: ik ben geen pedagoog of neuroloog en ik begeef me misschien op glad ijs. Dat zou zomaar kunnen. En ja, voor sommige kinderen en hun ouders is het een zegen dat er eindelijk een diagnose is. Maar ik ben ervan overtuigd geraakt dat veel kinderen onnodig een stigmatiserend etiket krijgen omdat bepaalde drijfveren vanuit hun persoonlijkheidsdynamiek onbegrip ‘triggeren’ bij hun ouders en/of op school.

Op de camping heb ik weer met verbazing geluisterd naar de zorgen van de overbuurvrouw over haar zevenjarige dochter. Dit kwam aan het eind van de drie weken waarin zij dagelijks bij onze kampeerplaats te vinden was samen met haar kleine zusje. Yael (niet haar echte naam) zou binnenkort getest moeten worden op adhd. Dit op advies van haar leerkracht en de school. Want: ze kon zich niet concentreren, ze was vaak druk, ze verstoorde de les en ze kon niet stilzitten. Ook dagdroomde ze teveel en al met al waren haar resultaten niet goed. Toch was dat wel raar, vond mijn overbuurvrouw, want ze kon toch zonder problemen een film van 1,5 uur kijken…. tja. Maar ja, de juf zal het wel weten.

Wanneer iemand vooral benoemt wat een ander niet doet of niet kan is mijn eerste gedachte vaak: ‘dat zegt in eerste instantie iets over jouw eigen behoefte’.

Ik viel dus zowat van mijn picknickbank, want ik had Yael leren kennen als een sociale, bruisende meid die – nadat ze even een dagje had afgetast of ze welkom was – lekker aan tafel kwam zitten en honderduit vertelde over wat haar bezig hield. Met engelengeduld probeerde ze de plot van haar lievelingsfilm ‘Frozen’ uit te leggen aan mijn tweeënhalfjarige peuter, die in haar een tweede ‘moedertje’ en knutselgoeroe had gevonden. Adhd? Yeah right.

Mijn geheel subjectieve vermoeden – na wat doorvragen over de verwachtingen vanuit de leerkracht – is dat de juf van Yael zelf geen emotionele centrering heeft en het lastig vindt om met aspecten van het emotionele principe om te gaan. Wat ontzettend jammer is, omdat juist een leerkracht die met name door de eigen ‘bril’ kijkt als het gaat om het scheppen van de beste leervoorwaarden, voorbij gaat aan de behoeften en drijfveren van kinderen in de klas met een andere persoonlijkheidsdynamiek. Erger nog, wanneer onbegrip voor andere manieren van leren en uitingen daarvan gezien worden als onwenselijk gedrag of zelfs de voorbode van een psychologische stoornis…. het pygmalion-effect doet de rest: van dat wat je verwacht te zien, zul je steeds meer zien. Niet in het voordeel van het kind, in dit geval.

Wat kinderen met een emotionele centrering heel hard nodig hebben tussen concentratie-momenten door is ruimte om even te kunnen bewegen, contact te maken, te kletsen en hun ervaringen – al dan niet gerelateerd aan het onderwerp – uit te wisselen. Dan zijn ze er weer bij en kan er weer verder geluisterd worden. Daarnaast is het heel fijn als een docent laat merken dat hij of zij in hen als persoon geïnteresseerd is, die vraagt naar wat hen bezighoudt. Zonder die voorwaarden wordt het leren voor deze kinderen heel moeilijk en zal de intrinsieke motivatie langzaam maar zeker plaats maken voor het wegcijferen van behoeften en proberen te voldoen aan de verwachtingen (emotioneel-fysiek) of juist volledig uit de band springen (emotioneel-mentaal).

Zo heb ik stiekem ook mijn vermoedens over misschien voorbarige etiketten voor kinderen met andere persoonlijkheidsdynamieken. Meer daarover in deel 2. Of over mensen die ongeschikt zouden zijn als leidinggevende omdat ze niet de gebruikelijke ambitie, de visie, het lef, de teamspirit of mensgerichtheid laten zien. Maar dat laatste is weer een heel ander blog.

Wat ik eigenlijk zeggen wil: het zou zo waardevol zijn wanneer we ons eigen perspectief op wat ‘normaal en gezond’ is – ook als anderen je waarnemingen herkennen – steeds opnieuw blijven toetsen aan wat we zelf gewoon hartstikke lastig vinden om mee om te gaan.

Meepraten over dit thema? Laat ons weten wat jij ervan vindt!